Tag Archives: kinderopvang

Darth Vader van de Kinderopvang

De eerste ochtend bij de Kinderopvang lijkt Dochter goed te hebben doorstaan. Dat er een mama haar zoontje wegbracht en daarbij vertelde ‘dat hij niet helemaal lekker was’, baarde me maar een paar zorgen. Niet veel. Want ik wist: als ze eenmaal naar de Opvang gaan, dan zijn ze vaker wél dan niet ziek. ‘Dat hoort er allemaal bij’, werd me verzekerd door de meer ervaren moeders. En: “Ook jij pikt alles mee. Bereid je dus maar voor op een jaar vol virusjes en griepjes.” Ik hoor zelfs de vergelijking: “Het eerste jaar kinderopvang heb je standaard een Darth Vader in huis.” Hoewel ik voorbereid was, dacht ik dat met een paar uurtjes ‘wennen’ het niet zo’n vaart zou lopen. En ik hoor de ervaren mama’s nu denken: “Ach jij, arme, naïeve, schat.”

Eenmaal weer thuis slaapt Dochter lang. Langer dan normaal. Als ze wakker wordt, voelt ze warm en is ze niet hongerig. Hoewel we elkaar pas 11 weken kennen, weet ik: dit is niet normaal voor Dochter. En dus plaag ik haar met de thermometer. Gelaten laat ze zich temperaturen. Pijlsnel gaat de teller omhoog en ik lees de eindstand: koorts.Omdat me was verteld door verschillende mensen, waaronder onze Kraamverzorgster én het Consultatiebureau, dat een baby onder de drie maanden géén koorts mag hebben (behalve wanneer ze prikjes hebben gehad), bel ik de Huisartsenpost. Terwijl ik met de assistente spreek, kucht Dochter. De assistente hoort het ook: “Kom maar hier naar toe. We willen het toch laten beoordelen door de huisarts.”

Echtgenoot, Dochter en ik stappen in de auto. Ietwat beteuterd hangt Dochter in haar maxicosi. Echtgenoot en ik lachen erom: “Ze zal wel denken: moet ik nu alwéér weg?” We doen stoer en lacherig. Maar ik weet, ik voel, we zijn allebei gespannen. Dit is zo’n ‘eerste keer‘ die geen enkele ouder wil meemaken.

Dochter is, behalve niet zo hongerig en koortsig, wel lief. En vrolijk. Maar vooral: rustig. Ze lacht ons lief toe, maar dan betrekt haar gezichtje. Ze trekt wit weg en loopt op bepaalde plekken rood aan. We weten: ze gaat voor de volle luier!

PRRRRT! Hoor ik haar luier vol lopen. Omdat ik inmiddels op dat front een ervaren moeder ben, maak ik me er niet meer druk om. Een spuitluier meer of minder: ik ben voorbereid. Snel fabriceren Echtgenoot en ik een tijdelijke commode, omdat een echte ontbreekt, en ik verschoon haar luier. Ook haar rompertje moet uit. Ik duik m’n tas in en: shit. De romper die in deze tas zat, heb ik die ochtend achtergelaten bij de Opvang. Ik ben dus iets minder voorbereid dan ik dacht. Ik grijns haar toe: “Je doét het erom! Je wil gewoon dat mama zich lullig voelt.” Ik trek haar een schoon truitje en broekje aan. Geen rompertje. Want geen romper is beter dan een vieze romper.

Als we worden binnengeroepen, geef ik de huisarts een hand en begin meteen met excuses: “M’n dochter heeft geen romper aan. Ik had net geen schone in m’n tas. Normaal echt wel hoor! Ik ben echt niet zo’n héle slechte moeder…” Ik hoor mezelf. Inwendig schud ik m’n hoofd: blijkbaar ben ik nog steeds niet overtuigd van mijn eigen moederlijke kwaliteiten. De huisarts maakt zich minder druk dan ik: “Ik denk dat ook niet zo gauw van een moeder, hoor.”

Ik heradem, een soort van, en de huisarts begint met z’n onderzoek.De uitslag valt reuze mee: inmiddels hogere koorts dan thuis, maar nog niet echt iets om ons zorgen over te maken. “Waarschijnlijk een infectie van de luchtwegen. Met een paar dagen is dat over.” Terwijl we gerustgesteld naar buiten lopen, mompel ik: “Begint dat nu al? Dat ziek worden door andere kindjes van de Opvang?”

Het definitieve antwoord komt als ik vandaag Dochter ‘goedemorgen’ wens. Ik klink als Darth Vader.

De eerste keer

Het is donderdagavond. Liever gezegd: het is donderdagnacht. Het is de dag voor Dochter gaat wennen op het Kinderdagverblijf. Terwijl Dochter eet, fluister ik haar toe dat we morgen weer ‘een eerste keer’ hebben. Ik vertel haar dat er een hoop ‘eerste keren’ gaan komen en dat mama dat elke keer weer spannend vindt. Dat dat er nu eenmaal bij hoort.

Echtgenoot gaat gelukkig mee, deze eerste keer. Ik overhandig Dochter aan één van de leidsters, die er aardig uitziet. Dochter begroet haar met een stralende lach, dus ik vertrouw er op dat het goedkomt. En ik veeg een paar tranen weg. Een uur later mogen we Dochter ophalen. Ik denk bij mezelf: “Hé, dit ging goed. Dit kan ik.” De cheesecake en cola light in de zon op een terras hielpen vast ook.

De maandag erop is het echt zover. Niks maar een uurtje, nee: een volle ochtend. Ik trek m’n mooiste rode jurk aan en ook Dochter krijgt een prachtig jurkje met stippen aan. Het leven in onze roze cocon is voorbij. We moeten de échte wereld in. Goedgejurkt betreden we de Opvang. Dochter heeft het iets moeilijker dan die ‘eerste keer’. Ze huilt heel even, maar besluit dan: prima. Moeder heeft het iets zwaarder: ik huil terwijl ik wegloop, ik huil terwijl ik auto rijd en ik huil als ik thuis ben. Ik houd mezelf voor: “Het is goed voor haar weerstand. Het is goed voor haar ontwikkeling. Het is goed voor Dochter.” En: “Jij wilde werken. Zeur dan niet.” Ik grijns mezelf toe. Hup. Een beetje mans, Marlies.

Ik haal adem en zet door. Zonder cheesecake, dit keer.

-1